Schuldenproblematiek kent lange nasleep

In juli 2014 en in juni 2015 stelde zij in haar economisch commentaar het betaalrisico en betalingsachterstanden van Nederlandse huishoudens aan de orde. Anno 2017 geeft zij een voorzet voor een update. Leontine Treur, econoom bij RaboResearch Nederland, analyseert de schuldenproblematiek in Nederland.

Schuldenproblematiek, waar hebben we het dan over? Enerzijds over betalingsachterstanden op leningen. Anderzijds zeer zeker ook over achterstanden op andere betalingsverplichtingen zoals huur, energie, belasting en zorgverzekering. Volgens Treur kan het probleem zijn oorsprong hebben in de inkomenskant, ‘het inkomen is te laag’ en in de bestedingskant ‘we geven teveel uit’. ‘Niet iedereen met een laag inkomen heeft schulden. Niet iedereen met schulden heeft een laag inkomen. Zo is bij een tijdelijke of langdurige inkomensterugval van twee keer modaal naar één keer modaal weliswaar geen sprake van een laag inkomen, maar kunnen er wel betalingsachterstanden ontstaan als mensen hun bestedingen niet tijdig kunnen aanpassen.’

Inkomensontwikkeling tot en met 2014
Treur richt zich in haar probleemanalyse op de inkomenskant, ondanks het ontbreken van de meest actuele cijfers. ‘Uit de meest recente CBS-cijfers – tot en met 2014 – blijkt dat de afgelopen jaren het aandeel huishoudens met een laag inkomen niet is afgenomen, maar licht is blijven stijgen. Daarbij hangt het precieze aantal huishoudens met een laag inkomen af van de gehanteerde definitie’, geeft Treur aan. Immers, het CBS hanteert vier verschillende definities. ‘Nemen we het gemiddelde van deze definities, dan blijkt dat 9% van alle huishoudens al een jaar of langer een laag inkomen heeft. Ruim een derde daarvan, dus 3% van alle huishoudens, heeft zelfs al vier jaar of langer een laag inkomen.

Ontwikkeling betalingsachterstanden
‘Ook uit de meest recente Monitor betalingsachterstanden van Panteia (eveneens uit 2014) blijkt een toename van het aandeel huishoudens met ten minste één betalingsachterstand. Deze enquête wijst uit dat in 2014 maar liefst 32,4% van de huishoudens minimaal één betalingsachterstand had (zie pagina 7 van de enquête)’, aldus Treur. Daarbij moet gezegd worden dat de definitie van een betalingsachterstand in deze enquête wel heel ruim is genomen. Zo valt vaak en regelmatig rood staan en het hebben van een niet-hypothecaire lening of krediet daar ook onder. ‘Beperken we ons tot enkel achterstallige rekeningen, dan heeft 18% van de huishoudens minimaal één betalingsachterstand.’

Helaas zijn de cijfers alweer enigszins verouderd, realiseert ook Treur zich: ‘Sinds 2014 trekt de arbeidsmarkt weer flink aan. Daarmee is in ieder geval een daling van het aantal nieuwe betalingsachterstanden te verwachten. Uit de Nationale rekeningen blijkt dat ook. De categorie “overige transitorische posten” steeg tot en met 2015, maar is in 2016 licht gedaald. De overige transitorische posten bestaan uit te betalen of te ontvangen bedragen zoals loon, belastingen, premies, huur en energiekosten. Betalingsachterstanden van huishoudens zien we daarom terug als een schuld bij de overige transitorische posten. Op het niveau van een individueel huishouden is de waarneming van dit soort schulden onvolledig. Huishoudens hoeven niet-hypothecaire schulden namelijk alleen op te geven bij de Belastingdienst indien zij een box 3-inkomen hebben. Het CBS bepaalt het totaalbedrag van de overige transitorische posten van huishoudens daarom voornamelijk op basis van de gegevens van andere economische sectoren (zoals bedrijven) die hun vorderingen of verplichtingen ten aanzien van huishoudens rapporteren.’

Treur laat weten dat deze informatie aardig overeenkomt met de bevindingen van de Universiteit van Tilburg. In oktober 2015 voerde de UvT in opdracht van het BKR, in het kader van haar 50-jarig bestaan, een enquête uit onder leiding van hoogleraar Harald Benink. ‘De uitkomsten wijzen op een lichte verbetering van de financiële situatie van huishoudens, zie figuur 2.1 van het rapport, waaruit blijkt dat:

  • de groep die schulden maakt (3,1%), de afgelopen paar jaar gelijk is gebleven;
  • de groep die spaargeld moet aanspreken om rond te komen, geleidelijk is gedaald naar 16,7%;
  • de groep die precies rondkomt, gestegen is van 22-23% naar 24,5%;
  • de groep die een beetje geld overhoudt, vrij stabiel is;
  • de groep die veel geld overhoudt, gedaald is.’

Toekomstverwachting
Graag benadrukt Treur nog maar eens dat daarmee bestaande betalingsachterstanden natuurlijk niet meteen zijn weggewerkt. ‘Ten eerste kost het tijd om bestaande schulden af te lossen. Ten tweede werkt de arbeidsmarkt als een “wachtrij”: mensen met een korte achterstand tot de arbeidsmarkt vinden als eerste weer een baan en pas daarna verbeteren de perspectieven voor mensen die langdurig werkloos zijn. De verwachting voor de toekomst is dan ook dat de schuldenproblematiek nog een lange nasleep kent. Wat een wenselijke oplossing is, is een lastige kwestie. En de wenselijkheid van een uitgebreide registratie als in Vindplaats van Schulden is best lastig. Het betreft een balans tussen tijdig ingrijpen versus privacy.’